Geschiedenis

In de 17e eeuw maakten Nederlandse koopvaardijvaarders voor het eerst kennis met thee tijdens hun ontdekkingsreizen naar het Verre Oosten. Handelaren zagen de grote gebruiksmogelijkheden van thee. Daarom werden steeds meer schepen ingezet om thee uit die streken te halen. Het was een product dat hen grote winsten opleverde.

Om krachten te bundelen besloot men in 1602 tot oprichting van de V.O.C. (Verenigde Oostindische Compagnie). Pas na veel moeite kreeg de V.O.C. van de Chinese autoriteiten toestemming thee te verhandelen. Dat ging een tijdje goed, maar toen ontstonden er politieke problemen. Daarom besloot de V.O.C. omstreeks 1650 om haar heil te zoeken in Batavia (nu Djakarta) op Java. De V.O.C. dreef haar handel - naast thee, ook zijde, zilver en porselein - via de Chinese handelaren op Java. Later legden de Nederlanders ook theeplantages aan op Java en Sumatra.

Tot in de 18e eeuw was thee vooral een drank waarvan het gebruik alleen was weggelegd voor rijken. Want één ons thee kostte een vermogen. Het was dus geen drank die een gemiddelde werkman zich kon permitteren. Thee werd beschouwd als een exotische drank, die door de rijken uit kleine Chinese porseleinen kommetjes werd gedronken. Tegenwoordig drinkt vrijwel iedereen thee en is het daarom na water de meest gedronken drank in Nederland.